Column Bart Romijn | Nurture & Nature – autonoom en wederzijds afhankelijk

Nieuws

Zesentwintig jaar geleden kreeg mijn oudste zoon bij zijn geboorte de wens: “dat je mag worden wie je bent”. Deze wens intrigeerde mij toen en houdt mij nog altijd bezig, ook voor mijn eigen ontwikkeling. Wie ben ik, hoe ben ik geworden wie ik ben, en in welke richting ontwikkel ik me verder? Er over nadenken en feedback van anderen voeden mijn inzicht. Waar heb ik aanleg voor, hoe hebben externe omstandigheden en toeval meegespeeld en hoe blijf ik bij ‘bij mijzelf’, ook bij moeilijke keuzes? Het is het onderwerp in het nurture & nature debat waarover vroeger de Griekse filosofen hun verbale degens kruisten en dat psychologen nog immer bezighoudt.


De analogie met organisaties is sterk. De woorden zijn anders. Natuurlijke aanleg noemen we de identiteit of het DNA van een organisatie. Idealiter liggen gedrag, reputatie en interactie met de buitenwereld zo dicht mogelijk tegen de identiteit aan. De praktijk is weerbarstig en uitdagend. Accepteren van wederzijdse afhankelijkheid van anderen is (aan)passen en meten en kan je missie onder druk zetten. De scheidslijn tussen het pakken van kansen die wel of niet passen bij je missie is niet altijd scherp. Ga je voor strategische opportuniteiten of voor opportunisme? Het vinden van een goede balans tussen autonomie en afhankelijkheid is een voortdurend proces van nadenken, afwegen, onderhandelen.

 

De publicatie van het beleidskader van Minister Kaag Versterking Maatschappelijk Middenveld vormde de aanleiding voor een dergelijk proces. Waar in een eerdere hoofdlijnenbrief veel ruimte werd geboden voor een brede insteek door maatschappelijke organisaties, bleek de aanvullende Kamerbrief van begin november de kaders aanzienlijk te versmallen en toe te spitsen op specifieke thema’s. Zie hierover ook het  artikel Politieke Behandeling Beleidskader Maatschappelijk Middenveld. Aan het einde van het Kamerdebat over de brief waarschuwde de minister dat een voortzetting van het debat, waardoor moties ingediend zouden kunnen worden (een normaal parlementair gebruik), tot uitstel van publicatie van het subsidiekader kon leiden. Een waarschuwing die enkele organisaties die met de toespitsing goed uit de voeten konden deed neigen af te zien van voortzetting van het debat. Een flink aantal organisaties liep uit de aard van hun werk wel tegen de beperkingen aan.

 

Als branchevereniging stonden we voor een dilemma. Accepteren en daarmee tijd winnen. Óf proberen de bewegingsruimte te vergroten ondanks mogelijk uitstel in het uiteindelijke tenderproces. Partos heeft gekozen voor het laatste. Niet om de koek te vergroten. Het beschikbare budget en het maximaal aantal te financieren coalities hebben we niet ter discussie gesteld. Wel wilden we bewerkstelligen dat maatschappelijke organisaties optimaal binnen dit kader kunnen opereren, voor de vanuit hun eigenheid nagestreefde impact. Wederzijdse afhankelijkheid? Ja: daar zet je op in bij partnerschappen, ook bij partnerschappen met de overheid. Maar wel vanuit een duidelijk onderscheiden, maatschappelijke rol voor het vormen van tegenmacht; voor het bepleiten van beleidscoherentie en voor het bevorderen van systeemverandering die specifieke thema’s overstijgt. Gelukkig zagen wij deze punten in het politieke debat positief terugkomen. Dat is grote winst - voor korte en lange termijn - op een van onze speerpunten: het opkomen voor ruimte van maatschappelijke organisaties wereldwijd. “Dat allen binnen deze ruimte mogen zijn wie ze zijn.”