yellow shape
Communicatie & Engagement Blog

Opinie: Het boeit ‘de Nederlander’ wel degelijk wat er over de grens gebeurt

Ontwikkelingssamenwerking zou een makkelijke bezuinigingspost zijn, omdat er volgens politici in Den Haag onder de bevolking weinig draagvlak voor is. Wie naar de samenleving en naar de cijfers kijkt, ziet totaal iets anders. Opinieartikel van Sera Koolmees in de Volkskrant.

Direct naar het Volkskrant artikel
23 maart 2026

Het draagvlak voor internationale solidariteit is er al. Nu de politiek nog.

Deze week stemt de Tweede Kamer over de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Op papier groeit het budget: volgens het coalitieakkoord komt er 257 miljoen euro bij. Volgens berekeningen van het Centraal Planbureau verdwijnt eenzelfde bedrag naar de eerstejaars opvang van asielzoekers in Nederland.

Op het eerste gezicht lijkt er dus vooruitgang. In werkelijkheid gaat er weer geld uit het potje voor ontwikkelingssamenwerking. Dat gebeurt vaak onder hetzelfde politieke argument: er zou nauwelijks maatschappelijk draagvlak zijn. Ontwikkelingssamenwerking zou een makkelijke bezuinigingspost zijn, omdat “de Nederlander” er toch weinig om geeft.

Wie naar de samenleving kijkt, ziet iets totaal anders. Volgens de toezichthouder op goede doelen, steunen ruim 4 miljoen Nederlanders ontwikkelingsorganisaties als donateur. Jaarlijks geven zij honderden miljoenen euro’s aan initiatieven die armoede bestrijden, onderwijs mogelijk maken, gezondheidssystemen verbeteren of noodhulp bieden. Ook het Nederlandse bedrijfsleven draagt bij. Ongeveer 114.000 bedrijven doneren aan internationale goede doelen, zo blijkt uit cijfers van Geven in Nederland en het CBS. Daarnaast zetten 48.000 vrijwilligers zich actief in voor internationale solidariteit. Dat is geen niche. Dat is een massabeweging van betrokken burgers.

Niet alleen geven, ook opstaan

Die betrokkenheid beperkt zich niet tot geld. Nederlanders laten hun stem ook op andere manieren horen.

Klimaatmarsen trekken tienduizenden deelnemers die wijzen op de mondiale gevolgen van klimaatverandering. Bij de Rode Lijn-demonstratie kwamen naar schatting 250.000 mensen op de been om aandacht te vragen voor internationale rechtvaardigheid in Palestina. Tijdens de Feminist March klonk niet alleen aandacht voor ongelijkheid in Nederland, maar ook voor de positie van vrouwen in conflictgebieden.

Het beeld dat Nederlanders zich alleen druk maken over wat er binnen de eigen grenzen gebeurt, klopt simpelweg niet. Dat blijkt ook uit de inzet van duizenden vrijwilligers. Juist nu, in het Internationale Jaar van de Vrijwilliger, wordt zichtbaar hoeveel mensen zich in Nederland inzetten voor een rechtvaardigere wereld. Vaak naast hun studie of baan, zonder veel aandacht, maar met een duidelijke overtuiging: wat er elders gebeurt, gaat ons ook aan.

Studenten organiseren bijvoorbeeld de ‘Nacht van de Fooi’, waarbij horecazaken hun fooi doneren aan onderwijsprojecten in het mondiale zuiden. Jongerenambassadeurs bezoeken scholen om hun persoonlijke vluchtverhaal te vertellen en zo bewustwording te creëren over internationale conflicten en migratie. Diasporanetwerken zetten solidariteitsacties op voor gemeenschappen in hun landen van herkomst. En in heel Nederland draaien kringloopwinkels grotendeels op vrijwilligers die met hun werk bijdragen aan projecten voor armoedebestrijding en ontwikkeling elders.

Die betrokkenheid reikt bovendien verder dan ontwikkelingsorganisaties alleen. Kerken zetten zich al decennialang in voor mensen in kwetsbare situaties wereldwijd en vanuit vakbond FNV nemen Nederlanders uit alle sectoren deel aan werkgroepen die samenwerken met vakbondscollega’s over de grens. Ook sporters zetten zich in: bekende voetballers geven via KNVB WorldCoaches trainingen en kennis door aan jongeren wereldwijd.

Het probleem is dus niet dat het draagvlak ontbreekt. Het probleem is dat de politiek dit draagvlak niet serieus neemt.

De mythe van het ontbrekende draagvlak

Ondanks de feiten blijft in Den Haag de mythe rondzingen dat ontwikkelingssamenwerking maatschappelijk nauwelijks gedragen wordt. Dat frame maakt het politiek eenvoudig om te schuiven met het budget of om geld voor armoedebestrijding te gebruiken voor andere doelen.

De werkelijkheid is minder cynisch: internationale solidariteit leeft wel degelijk in Nederland.

Nadat het vorige kabinet de grootste bezuinigingen ooit doorvoerde op ontwikkelingssamenwerking, is het opvallend dat veel partijen, waaronder ook CDA en D66, de afgelopen tijd hebben gezegd weer meer te willen investeren in ontwikkelingssamenwerking. Het argument: Nederland is geen eiland. In een wereld van conflicten, klimaatverandering en groeiende ongelijkheid is internationale samenwerking niet alleen een blijk van medemenselijkheid, maar ook verstandig beleid – en goed voor onze veiligheid, handel en internationale positie.

Dit besef groeit in een wereld vol geopolitieke spanningen en conflicten. Tijdens de verkiezingscampagne spraken tien partijen zich uit om weer toe te werken naar de internationale afspraak om 0,7% van het BNI aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Samen vertegenwoordigen zij ongeveer tachtig zetels in de Tweede Kamer: een ruime meerderheid. Toch blijft Nederland momenteel steken op circa 0,44 procent van het BNI, ver onder de norm die internationaal wordt gehanteerd en die Nederland al decennia onderschrijft. De stemmingen van deze week in de Kamer over de begroting zijn hét moment om die belofte om te zetten in daadkracht: zorg eindelijk voor een ontwikkelingsbudget dat recht doet aan de ambitie, de internationale norm én het maatschappelijk draagvlak dat er al is. Neem als overheid – net als burgers dat doen – gedeelde verantwoordelijkheid voor het oplossen van mondiale vraagstukken.

Miljoenen Nederlanders geven al jaren geld, tijd en energie aan internationale solidariteit. Het maatschappelijk draagvlak om samen te werken aan mondiale crises van vandaag de dag is er dus al. Nu de politiek nog.

Bronnen: